Vervolg rechtszaak tegen Koerdische politici, activisten en mediahuizen

Solidariteitsactie met de vervolgde Koerdische politici, activisten en mediahuizen. Brussel, 9 mei 2017. Foto: Margot Cassiers, Koerdisch Instituut vzw

Op 9 mei 2017 stonden 33 Koerdische politici en activisten en de verantwoordelijken van twee Koerdische mediahuizen opnieuw voor de rechtbank voor een zaak die tegen hen werd aangespannen door de Turkse staat, daarin gesteund door het Openbare Ministerie. De beklaagden worden ervan beschuldigd deel uit te maken van een “terroristische organisatie”, waarmee de Arbeiderspartij van Koerdistan (PKK) wordt bedoeld.  De Koerdische beklaagden worden dus vervolgd voor “terrorisme” hoewel zij allen al jaren in België wonen en hier uitsluitend geëngageerd zijn in vreedzame en democratische politieke activiteiten. Onder hen zijn ook voormalige Koerdische parlementsleden die jaren geleden al Turkije dienden te ontvluchten vanwege de steeds terugkerende repressie tegen Koerdische verkozenen. Terwijl de zitting plaatsvond, protesteerden buiten een 50-tal Koerden en sympathisanten tegen de juridische vervolging.

De zitting van 9 mei voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling ging over de vraag of de beklaagden al dan niet verder vervolgd zullen worden in hoger beroep. In het eerste vonnis van 3 november 2016 besliste de Brusselse Raadkamer immers dat de beklaagden niet vervolgd kunnen worden voor terrorisme omdat het Turks-Koerdische conflict beschouwd moet worden als een “gewapend conflict” tussen twee hiërarchisch gestructureerde militaire partijen, waardoor de terrorismewet niet van toepassing is. Zowel de Turkse staat als de openbare aanklager gingen echter tegen dit vonnis in beroep.

We waren zeer blij met het eerste vonnis,” vertelde Adem Uzun, Koerdisch diplomaat en één van de beklaagden, tijdens de persconferentie. “De Koerden zijn geen terroristen, ze zijn zelf het slachtoffer van staatsterreur. De politieke, sociale en culturele rechten van de Koerdische bevolking worden in Turkije systematisch geschonden. De Turkse regering beëindigde het vredesproces met de PKK en vernielde verschillende Koerdische steden, waarbij duizenden doden vielen en honderdduizenden mensen ontheemd werden. Ondertussen staan de Syrische Koerden in de frontlinie tegen de Islamitische Staat en andere jihadistische groepen, die echt een bedreiging vormen voor de mensheid, denk maar aan de aanslagen in Brussel en Parijs. Turkije is een dictatuur geworden en het Turkse regime valt ook buiten Turkije de Koerden aan, zoals in Irak en Syrië. Het internationale stilzwijgen hierrond geeft het Turkse regime de moed om door te gaan met deze aanvallen. We roepen het Belgische gerecht op om het eerste vonnis te volgen. De Koerdische strijd voor legitieme basisrechten is geen terrorisme.”

Het onderzoek is voornamelijk gebaseerd op “bewijs” dat voortgebracht is door de Turkse staat. Diezelfde Turkse staat begaat talloze mensenrechtenschendingen en onderdrukt elke oppositie en elk legitiem protest onder het mom van “terreurbestrijding”. Journalisten, advocaten, politici, academici en iedereen die de AKP-regering bekritiseert, riskeert vervolgd te worden voor “terrorisme”, wat niet zelden resulteert in jarenlange gevangenisstraffen. Alle Koerdische media zijn gesloten en pro-Koerdische parlementsleden en burgemeesters worden massaal opgesloten in de gevangenis. De Turkse staat probeert ondertussen ook in België de Koerdische politieke oppositie te vervolgen en de Koerdische media te sluiten.

Een van de advocaten van de beklaagden verwoordde het destijds als volgt: ‘Tien jaar gerechtelijk onderzoek en talloze huiszoekingen hebben niets van bewijzen opgeleverd, behalve zaken zoals portretten van Öcalan. En dan? Moeten Belgische jongeren die een portret van Che Guevara op hun kamer hebben, dan ook gearresteerd worden? Elke beslissing over de vraag of een buitenlandse gewapende strijd tegen een repressieve staat wel of niet terrorisme is, is een politieke beslissing. Het kan niet dat ons rechtssysteem gebruikt wordt door een buitenlandse dictator om de politieke oppositie monddood te maken.

Het Openbare Ministerie gebruikt een vaag concept van een zogenaamde “PKK-wolk” en stelt dat alle betrokkenen deel uitmaken van deze “wolk”. Niet iedere Koerdische burger of organisatie die opkomt voor de basisrechten van het Koerdische volk, is echter lid van de PKK. Bovendien verwijst men om te bewijzen dat de PKK een terroristische organisatie is naar het feit dat de PKK op de Europese lijst van terroristische organisaties staat. Deze lijst heeft echter geen juridische waarde, ze werd opgesteld in de nasleep van 9/11. De PKK werd op deze lijst gezet na zware druk van de Turkse regering. Het gaat met andere woorden over een politieke lijst, los van enige objectieve criteria over wat nu precies verstaan moet worden onder “terrorisme”. Vorig jaar ondertekenden een honderdtal Europarlementsleden een oproep om de PKK van de Europese lijst van terroristische organisaties te verwijderen.

Ook Europees parlementslid Mark Demesmaeker (N-VA) uitte tijdens de persconferentie zijn solidariteit met de vervolgden. “Ik heb me als Europees parlementslid altijd ingezet voor de rechten van de Koerden. Het gaat om een politiek probleem en daarvoor is een politieke oplossing nodig. Het is verkeerd dit probleem via de rechtbank aan te pakken en Koerdische politici juridisch te vervolgen. Ons gerecht mag niet dienen om het vuile werk van Erdoğan op te knappen. Ik hoop dan ook op een gunstig verdict vandaag.” Eresenator Hugo Van Rompaey voegde eraan toe dat het hoofdbesluit van zijn doctoraat over de Koerdische kwestie eruit bestaat dat “de Koerden geen terrorisme ambiëren, maar een ethisch verantwoord nationalisme”. Hij verwees daarbij naar het 14 punten-plan dat de gevangen genomen PKK-leider Abdullah Öcalan eind de jaren ’90 opstelde. “Dit vormde de perfecte structuur voor een vredesproces. De Koerdische politieke beweging zet zich niet in voor terrorisme, maar voor vrede,” besloot Van Rompaey. Ook vertegenwoordigers van het Solidariteitscomité met Rojava betuigden hun steun en riepen op tot solidariteit met de vervolgden.

De debatten over een eventuele voortzetting van het proces in beroep gaan verder door op 26 en 27 juni 2017. Mogelijks komen de beklaagden dan te weten of het proces tegen hen nog zal worden verdergezet of niet.

Koerdisch Instituut, Brussel, 9 mei 2017

 

© 2014 KIB |Jindar Multimedia

Scroll to top