Elf jaar al regeert de Turkse premier RecepTayyip Erdoğan. Normaal gezien tijd voor aflossing van de wacht, tijd voor iets nieuws. Maar Erdoğan denkt er anders over. In 2023 hoopt hij in de functie van president glorieus de honderdste verjaardag van de Republiek Turkije te kunnen vieren.

De gemeenteraadsverkiezingen van 30 maart beslissen er mee over of Erdoğan die droom kan waarmaken. Een jaar geleden, tot in juni, was er nog geen vuiltje aan de lucht. De geplande verkiezingen zouden de premier gewoon een duwtje in de rug geven om in augustus 2014 te kandideren als president met meer macht dan de huidige. Maar vanaf toen begon onrust zich uit te breiden over Turkije. De onderdrukking van de protesten rond het Gezipark in Istanboel openbaarde de wereld het autoritaire karakter van de premier. Het openspatten van immense corruptieschandalen bracht Erdoğan zelfs in nauwe schoentjes. Zozeer dat de gemeenteraadsverkiezingen het karakter van een test voor de zetelende AKP-regering en meer bepaald voor de premier zelf aannamen.

Alomtegenwoordig

Erdoğan kende de gemeenteraadsverkiezingen zelfs hetzelfde gewicht toe als parlementsverkiezingen en hoewel hij zelf niet kandideerde, was hij alomtegenwoordig, alsof lokale AKP-mandatarissen er niet toe deden. Net dat verklaart nu het succes van de AKP, dat erin bestaat dat ze met 44% ruimschoots komt over de zichzelf opgelegde drempel van 38% (het resultaat van de vorige gemeenteraadsverkiezingen in 2009).

Mocht het gewoon over lokale politiek gegaan zijn, had de AKP sowieso minder goed gescoord dan ze bij parlementsverkiezingen pleegt te doen. Maar nu beseften de Turken dat het om meer ging, dat het niet enkel draaide om wie er burgemeester werd in deze of gene gemeente. Het ging om de vraag of Turkije verder wilde gaan met Erdoğan of niet. Inderdaad, in sommige steden zoals Istanboel, Ankara en Izmir betekenen gemeenteraadsverkiezingen in die optiek ook meer dan dat. Wie Istanboel heeft, heeft Turkije, wordt er wel eens gezegd. Mustafa Sarigül die namens de sociaaldemocratische oppositiepartij CHP de handschoen opnam, moest de duimen leggen, in wezen niet tegen de kleurloze AKP-burgemeester, maar tegen Erdoğan himself.

Missie

Erdoğan heeft de test doorstaan. Nu duiken de vragen op naar het waarom. Het lijdt geen twijfel dat de premier de materiële situatie van vele gewone Turken heeft verbeterd. Onder zijn bewind boomde de economie en werd er flink aan de infrastructuur van het land gesleuteld. Ook de gezondheidshervorming wist de mensen te bekoren. De uitgaven voor de medische sector stegen van 3,9% van het BNP in 2003 tot 5,1% in 2009. De AKP voerde in 2008 een algemene ziekenverzekering door, iets waarover 62 jaar lang vruchteloos was gedebatteerd in het parlement.

Maar het zijn niet alleen economische successen waarmee Erdoğan de mensen aan zijn zijde wist te scharen. Tenslotte blijven vele gewone Turken het nog altijd moeilijk hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. Er is dus meer aan de hand. De ‘opstand’ van stedelijke jongeren, van een internetgeneratie die volgens haar eigen inzichten wil leven, herinnert de conservatieve delen van de bevolking aan de strijd die ze decennialang hebben moeten leveren tegen de seculiere elites. Ook die hadden op een autoritaire wijze het gedachtegoed van republiekstichter Atatürk er door gedrukt. Dat Erdoğan op zijn beurt autoritair regeert, is dan ook geen punt voor zijn conservatieve achterban: als hij maar de conservatieve waarden verdedigt, en een bloeiende economie vergroot daarbij nog zijn legitimiteit. Voor de conservatieve Turken is Erdoğan een man met een missie. Opdat hij haar zou kunnen vervullen, schoven ze hun eventuele misnoegdheid over lokale mandatarissen van de AKP wel even opzij.

Bovendien was de oppositie verdeeld. De CHP en de nationalistische MHP beschikken niet over charismatische leidersfiguren en worden als uitvloeisel van het ‘oude Turkije’ gewantrouwd door vele oproerige jongeren.

Slachtoffer

De overwinning van de AKP, en dus van Erdoğan, betekent een probleem voor de Europese Unie (EU). Want wat te denken van een regeringsleider die justitie naar zijn hand zet en de pers- en communicatievrijheid schendt (bv. door de blokkering van twitter en youtube)? Het Turkije van Erdoğan oogt niet erg Europees.

Ook de NAVO, het Westerse militaire bondgenootschap, heeft een probleem. Want wat te denken van een bondgenoot die erover nadacht een aanval te ensceneren op een door Turkse soldaten bewaakt monument in Syrië – het graf van Süleiman Sjah, grootvader van Osman Ghazi, de stichter van de Ottomaanse dynastie – om zo een excuus voor een militaire interventie in het buurland te hebben?

Het grootste slachtoffer is de Gezi-generatie – de generatie van opstandige jongeren – die moet leven in een land dat minder modern en vrij is dan vroeger. Een generatie die droomt van Europa, maar moet vrezen dat in de EU de neiging groeit om Turkije niet langer de hand boven het hoofd te houden.

Dirk Rochtus doceert internationale politiek aan KU Leuven/Campus Antwerpen. Hij publiceerde ‘Turbulent Turkije’ (2011).

Dit artikel verscheen op deredactie.be op maandag 31 maart 2014.

X
F
E
E
D

B
A
C
K