Auteur: HDP (Verklaring Commissie Buitenlandse Zaken)

Op 20 mei 2016 hief de Grote Nationale Assemblee van Turkije (GNAT) de parlementaire onschendbaarheid op van 138 volksvertegenwoordigers door middel van een voorlopige grondwetswijziging. Dit werd mogelijk door de gezamenlijke inspanningen van een anti-Koerdische nationalistische alliantie, bestaande uit de regeringspartij AKP en de Partij voor Nationalistische Beweging (MHP). De Republikeinse Volkspartij (CHP), een lid van de Socialistische Internationale, droeg ook bij aan deze inspanningen en stemde voor het wetsvoorstel, terwijl het deze tegelijkertijd ongrondwettelijk verklaarde, in een poging om aan te tonen dat de partij niet de kant kiest van de HDP, die sinds de verkiezingen in juni 2015 het slachtoffer is van nationalistisch geweld en staatsrepressie.

Het voorstel om de parlementaire onschendbaarheden op te heffen, begon met verklaringen van president Erdoğan in januari 2016, die stelde dat de HDP-parlementsleden naar de gevangenis zouden moeten. De ‘voorlopige grondwetswijziging’ van 20 mei herroept de immuniteiten van de parlementsleden van alle partijen die vertegenwoordigd zijn in de GNAT. Echter, voor iedereen die de debatten leest rond het wetsvoorstel onder leiding van mr. Erdoğan, is het duidelijk dat het openlijk en specifiek gericht is tegen de Democratische Partij der Volkeren (HDP), waardoor de weg wordt vrijmaakt voor de vervolging van 55 van de 59 parlementsleden, omwille van de verklaringen en acties die ze hebben gedaan ten behoeve van hun kiesdistricten.

Het immuniteitswetsvoorstel maakt de aanklacht mogelijk van HDP-parlementsleden in 510 zaken die in behandeling waren bij GNAT-instellingen op 20 mei 2016. Het is belangrijk om op te merken dat 105 van deze dossiers op die dag met veel haast zijn ingediend, om voor de vervolging te zorgen van HDP-parlementsleden in een maximum aantal strafzaken. Dit proces werd uitgevoerd met een volslagen gebrek aan transparantie, en we hebben onvoldoende informatie over de beschuldigingen tegen onze parlementsleden in 93 dossiers die op het laatste moment nog zijn aangekomen bij het Ministerie van Justitie. De verdeling van een totaal van 547 strafrechtelijke beschuldigingen in de overige 417 dossiers zijn als volgt: “het maken van propaganda voor een terroristische organisatie” (180 keer), “het overtreden van de wet op bijeenkomsten en demonstraties” (110 keer), “het prijzen van een strafbaar feit of een persoon” (57 keer), “het beledigen van de president” (27 keer), “het aanzetten tot haat en vijandschap” (21 keer), “het uitvoeren van een strafbaar feit ten behoeve van een illegale organisatie zonder dat zij lid zijn van die organisatie” (23 keer),”lidmaatschap van een gewapende organisatie” (9 keer).

Deze politiek-juridische ‘terror-isering’ van HDP-parlementsleden moet samen worden gezien met het feit dat bijna al deze beschuldigingen slaan op verklaringen en acties die zijn uitgevoerd in het kader van het bepleiten en het uitleggen van het HDP-programma, met inbegrip van die gemaakt op parlementaire grond, in partijbijeenkomsten, demonstraties en in persverklaringen.

Deze daden vallen binnen de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting die gewaarborgd wordt onder parlementaire onschendbaarheid, en in alle gevallen houden ze rechtstreeks verband met kritiek op het beleid en de acties van de regering.
HDP heeft goede redenen om te geloven dat de Turkse rechtbanken deze zaken niet zullen beoordelen in overeenstemming met grondwettelijke, democratische en mensenrechten.

Wat de HDP onderscheidt van andere partijen die vertegenwoordigd zijn in het politieke establishment van Turkije, is onze open en programmatische inzet voor het bereiken van een vreedzame, rechtvaardige en egalitaire oplossing van het langdurige Koerdische conflict van Turkije op basis van de erkenning van individuele en collectieve rechten van het Koerdische volk, waaronder het recht op lokale overheid binnen de territoriale integriteit van Turkije.

De HDP pleit voor democratische autonomie voor iedereen in Turkije. Het belang van het voorstel van democratische autonomie voor het recht op zelfbescherming en het bouwen van een duurzame toekomst onder een totalitaire regering heeft zich keer op keer getoond: bij de oplegging van ‘stedelijke transformatie’-plannen door de overheid en gedwongen verplaatsing in de Koerdische steden, net als van plannen voor ‘ontwikkeling’ in de regio van de Zwarte Zee en elders, alsook bij de bestrijding van lokale weerstand met wrede militaire interventies.

De inzet van de HDP voor democratische autonomie ligt ook aan het hart van de grote hoeveelheid electorale steun voor onze partij in de Koerdische regio, die goed is voor ongeveer tachtig procent van de 5 à 6 miljoen stemmen die ons in GNAT hebben gebracht na de opeenvolgende algemene verkiezingen van juni en november 2015.

***

Meneer Erdoğan beschuldigt de HDP van terrorisme, hoewel net de HDP en haar achterban vorig jaar drie keer door ISIS werden aangevallen tijdens de twee verkiezingscampagnes.

Tijdens de behandeling van deze motie in de GNAT, voerde mr. Erdoğan campagne tegen de HDP in het Zwarte Zeegebied, als de ‘onpartijdige’ president van de Republiek Turkije, die zou moeten handelen volgens de grondwet. Hij zei: “mijn volk wil ze in de gevangenis”.

Hij werd vergezeld door de hoofden van de hogere rechtbanken, die naar zijn beschuldigingen tegen de HDP-parlementsleden luisterden. Toen ze bekritiseerd werden omdat ze hun neutraliteit in het gedrang brengen, verklaarden de hoofden van de rechterlijke macht dat dit een eer was voor hen. Zij zullen de hoven van beroep voorzitten die zullen beslissen over de HDP-zaken.

Ondanks de antidemocratische kiesdrempel van 10 procent, de lynchpartijen en moorden op onze leden, de massa-arrestaties en opsluitingen van duizenden van onze partijmanagers, leden en lokale activisten, honderden fysieke aanvallen op onze kantoren en de constante criminalisering en het tot zondebok maken van de HDP en haar leden, is het Erdoğan-regime er niet in geslaagd om te voorkomen dat we in het parlement geraakten na de verkiezingen van 7 juni en de herhaalde verkiezingen van 1 november 2015.

Toen de HDP de drempel voor het eerst haalde in juni 2015, en daarbij 80 zetels in het parlement haalde en de meerderheid van de AKP beëindigde, verklaarde de AKP-leiding dat dit een internationale samenzwering was tegen de AKP. Ze stelde dat de HDP een grote fout begaan had en dat ze daarvoor zou boeten.

Gezien de manipulatie van het strafrecht en de ‘anti-terreur’-wetgeving als een bestraffend mechanisme tegen verkozen Koerdische burgemeesters, journalisten, pro-vrede-academici, of burgers die zogezegd ‘de president beledigd hebben’, verwachten we niet dat de rechters eerlijk zullen zijn tegen HDP-afgevaardigden. Immers, de beslissing van de GNAT heeft niets te maken met de wet; het is een politiek besluit dat de grondwet en de wet zelf overtreedt, zoals werd aangegeven door de CHP-leiding die zelf voor het wetsvoorstel stemde.

De opheffing van de parlementaire onschendbaarheid moet worden opgevat als een administratieve coup om Koerden en andere gemarginaliseerde bevolkingsgroepen die vertegenwoordigd worden door de HDP uit te sluiten uit het parlement. Deze coup is ook een stevige stap om de toch al zwakke parlementaire democratie van Turkije te vervangen door een ‘Turks presidentieel systeem’, waarin de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke bevoegdheden worden gemonopoliseerd door de president zelf, zoals meneer Erdoğan openlijk heeft verklaard.

In 1994 werd de parlementaire onschendbaarheid van Koerdische parlementsleden van de Democratische Partij (DEP) opgeheven en werden ze naar de gevangenis gestuurd onder het voorwendsel van ‘het bestrijden van terreur’. De exclusie van Koerden uit het parlement verergerde het Koerdische conflict in Turkije en kostte het land de jaren erna tienduizenden mensenlevens.

Met de DEP-leiding in de gevangenis, had de Turkse regering geen partner meer voor een dialoog, en het was erg gevaarlijk om ernstige mensenrechtenschendingen te melden in de ‘militaire operaties’ tegen de Koerdische bevolking, met inbegrip van de gedwongen verplaatsing van meer dan 1,5 miljoen Koerden.

***

De voorlopige wijziging van de grondwet op 20 mei, waarmee de parlementaire onschendbaarheden werden opgeheven voor de rechtszaken die al voor het parlement waren gebracht, kwam er nadat een reeks aanklachten tegen de HDP voor de plenaire vergadering werd gebracht. Een belangrijk deel van deze zaken heeft betrekking tot HDP-verklaringen en -activiteiten die in vorige wetgevende sessies werden uitgevoerd. In 2013 en 2015, toen een ‘democratische oplossing’ van de Koerdische kwestie op de agenda stond van de AKP, en de HDP als bemiddelaar optrad met Abdullah Öcalan en de PKK op verzoek van de regering, werden deze activiteiten niet onderworpen aan vervolging.

Zodra het Erdoğan-regime zijn ‘geen compromis’-oorlogsbeleid verklaarde in de nasleep van de verkiezingen van juni 2015, waarmee het volgens de opinieleiders van de AKP beroep deed op het Sri Lanka-model, begonnen mr. Erdoğan en zijn media de HDP als een terroristische groep te brandmerken.

Men moet ook niet vergeten dat het Erdoğan-regime strijd voert tegen het concept van lokale autonomie dat ingevoerd werd toen Rojava, de Koerdische regio in Syrië, het model aannam, nadat IS er verslagen werd. De verdediging van het kanton Kobane, waar mr. Erdoğan heeft verklaard aan te zullen vallen, door strijdkrachten uit Rojava, was een keerpunt in de geschiedenis van het Koerdische conflict in Turkije.

***

De politieke context van de start van vervolgingen tegen de HDP blijkt uit het feit dat een ruime meerderheid van de dossiers voorbereid tegen de HDP-parlementsleden betrekking heeft op uitspraken en acties uit de periode 2010-14. Dat deze handelingen niet als strafbaar werden gezien, zolang het resolutieproces werd voortgezet, toont duidelijk aan dat, achter al dit gepraat over ‘terreur’, de enige reden achter de campagne van het Erdoğan-regime tegen de HDP is om de partij uit te sluiten van het parlement.

Een analyse van de zaken tegen de HDP-parlementsleden wijst op twee fundamentele kenmerken. Ten eerste, gezien het feit dat deze verklaringen gebaseerd zijn op het programma van de HDP en kritisch staan ​​tegenover het Erdoğan-regime, zijn ze onderdeel van een poging om democratische oppositie en vertegenwoordiging in Turkije te marginaliseren, en om het politieke zeggenschap van de volkeren die de HDP vertegenwoordigt uit de politiek te duwen. Ten tweede, deze aanklachten zijn duidelijk in strijd met de algemene beginselen van het strafrecht en de mensenrechten, die in het kader van de Turkse grondwet en de wet gegarandeerd zouden moeten worden.

***

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft keer op keer bevonden dat de opeenvolgende Turkse regeringen hun internationale verplichtingen schonden, telkens als er  een rechtbank oordeelde in een zaak tegen een Koerdische politieke partij en haar parlementsleden, hetgeen getuigde van een systematische campagne van politieke uitsluiting.

Dit wijst duidelijk op een probleem met betrekking tot de handhaving van de internationale verplichtingen van Turkije, hetgeen beoordeeld moet worden door het Comité van Ministers van de Raad van Europa.

De HDP stelt voor dat de instellingen van de Raad van Europa, namelijk het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering, een mandaat moeten hebben om de campagne tegen de HDP te onderzoeken in termen van de verplichtingen van Turkije met betrekking tot mensenrechten en het recht op democratische vertegenwoordiging.

***

Een HDP-verklaring van 8 juni 2016 meldde ook onderstaande informatie:

President Erdoğan ratificeerde het wetsvoorstel op 7 juni 2016, precies een jaar na de verkiezingen van 7 juni 2015 en het bijhorende electorale succes van de HDP. De wet trad in werking op 8 juni 2016, waardoor 138 parlementsleden hun parlementaire onschendbaarheid verloren voor aanklachten die voor die datum tegen hen waren geuit.

Op 5 juni 2016 voerde de Erdoğan-regering bovendien een decreet in dat de posities van 3228 rechters en aanklagers veranderde, volgens de HDP zodat de beoordelaars van de rechtszaken tegen haar leden loyaal zijn ten opzichte van het regime.

Volgens de officiële procedure moet het parlement de zaken binnen de 15 dagen overdragen aan de juiste rechtbanken, waar de aanklachten verder zullen worden voorbereid. Vervolgens zal de Openbaar Aanklager de parlementsleden vragen om te getuigen. Volgens een verklaring van 8 juni 2016 van de HDP, zullen de vertegenwoordigers van de partij niet (vrijwillig) gaan getuigen, aangezien de opheffing van de immuniteiten volgens hen duidelijk een politieke beslissing is, die niet grondwettelijk is en dus geen juridische basis heeft.

hdp

X
F
E
E
D

B
A
C
K