• © Toon Lambrechts
  • De plannen van de overheid dienen om een demografische verandering te realiseren en een meer volgzame bevolking te installeren in het hart van Koerdistan.© Toon Lambrechts
  • © Toon LambrechtsOok binnen de muren van Sur blijven de inwoners zo goed en zo kwaad als kan de schijn van een normaal leven ophouden.© Toon Lambrechts
Published by Mo 07 March 2016
MO*JONGE TURKEN

Hoeveel schizofrenie kan een stad verdragen? In het moderne stadsdeel van Diyarbakir lijkt het leven zijn gang te gaan.

De winkels zijn open, de straten vol mensen. De alomtegenwoordige donkerblauwe pantserwagens van de politie maken sowieso al jarenlang deel uit van het stadsbeeld in het Koerdische zuidoosten van Turkije.

Weinig wijst erop – op een kalme dag tenminste – dat enkele straten verderop Koerdische militanten een bittere oorlog uitvechten in de steegjes van de oude stad. Tot er een colonne tanks voorbij raast, op weg naar de stadsmuren van Sur.

Sur is het kloppende hart van Diyarbakir. Duizenden jaren geschiedenis samengebald binnen de basalten stadswallen. Vandaag zijn de muren een gevangenis geworden. Het leger en de veiligheidsdiensten hebben de stadspoorten van Sur afgesloten bij het begin van de operaties. Sinds 11 december geldt er een uitgaansverbod in bepaalde wijken. Er klinken geweerschoten van achter de muren, en af en toe een explosie gevolgd door een rookpluim. Militair materieel rijdt af en aan tussen Sur en de legerbasis verderop.

Risico op smeltende sneeuw

Diyarbakir is maar een van de steden in de Koerdische regio waar zwaar gevochten wordt. In Silope en Cizre zijn de operaties van politie en leger officieel afgerond. Van de wijken waar er gevochten werd blijft niet veel meer over dan met kogels doorzeefde ruïnes. Vele honderden mensen kwamen om het leven, al ontkent de Turkse overheid dat er burgerslachtoffers gevallen zijn.

Sinds 16 februari geldt er een uitgaansverbod in de stad Idil, de volgende plek die dient te worden “schoongeveegd”, in de woorden van de Turkse overheid. In Hakkari, Sirnak en andere kleine steden komt het sporadisch tot confrontaties, terwijl in Nusaybin Koerdische jongeren druk bezig zijn nieuwe barricades op te werpen. De vrees leeft dat als binnen een maand de sneeuw in de bergen weg zal smelten, een groot offensief van de PKK (Koerdische Arbeiderspartij) verwacht kan worden.

Drieëndertig mensen kwamen om het leven, het merendeel studenten die klaarstonden om als vrijwilligers te gaan helpen bij de wederopbouw van Kobane.

Op 20 juli blies een lid van IS zich op in het grensstadje Suruç, vlak bij de Syrische stad Kobane. Drieëndertig mensen kwamen om het leven, het merendeel studenten die klaarstonden om als vrijwilligers te gaan helpen bij de wederopbouw van Kobane.

Twee dagen later schoot de PKK twee leden van de anti-terrorismepolitie dood. De wapenstilstand tussen de Turkse overheid en de PKK lag aan diggelen. Maar het ging al langer de verkeerde kant uit.

Al in 2013 maakte Turkije kennis met de YDG-H, een gewapende groep jongeren gelieerd aan de PKK. De YDG-H ontstond uit de groeiende frustratie onder de Koerdische jongeren over het uitblijven van enig resultaat bij de vredesgesprekken en de repressie van de Turkse overheid. Tegelijk zagen ze hoe aan de andere kant van de grens autonomie vorm kreeg in Rojava, Syrisch Koerdistan.

De haast openlijke steun van Turkije aan IS bij hun strijd tegen de Syrische Koerden zette nog meer kwaad bloed. Helemaal in de stijl van Rojava begon de YDG-H “autonome wijken” af te bakenen met barricades. Erdogan zwoor hen ‘te vernietigen en te begraven in hun loopgraven’. Sindsdien deint het geweld steeds verder uit.

Pottenkijkers niet welkom

Bewoners mogen langs de poorten van Sur, zij het na een strenge veiligheidscontrole. Journalisten niet, zo luidt de orde van de dag.

Aan de poorten in de oude stadsmuren houden politie in uniform en in burger de wacht. Bij de eerste twee poorten word ik onverbiddelijk teruggestuurd, maar bij de derde poort twijfelen de veiligheidsdiensten. Een agent speelt met mijn paspoort, doet een paar telefoontjes, laat ons door, roept ons terug, belt opnieuw maar laat ons uiteindelijk toch passeren.

© Toon Lambrechts

Ook binnen de muren van Sur blijven de inwoners zo goed en zo kwaad als kan de schijn van een normaal leven ophouden.

Toch, de gevechten zijn vlakbij en laten hun lelijk gerommel met regelmaat horen. In de hoofdstraat vlakbij de stadswal is het een komen en gaan van mensen. Af en toe passeert een bestelwagen met huisraad. Sommige trekken weg uit Sur, op zoek naar een veilig onderkomen. Andere keren net terug naar de wijken waar het uitgaansverbod opgeheven werd.

Eens in de smalle steegjes van Sur gaat alle oriëntatie verloren. In deze wijk, Ali Pasha, zijn de gevechten al enkele weken geleden gestopt. Maar het geweld is hoorbaar dichtbij. Toch zijn de meeste inwoners gebleven of teruggekeerd naar hun huizen. Een vrouw met een kind op haar arm vertelt hoe ze haar huis in de wijk Savas ontvlucht is om bij haar schoonmoeder in te trekken. Ook daar is geen water en elektriciteit meer, maar er wordt tenminste niet gevochten.

‘In Savas geldt nog altijd een uitgangsverbod. Vlakbij de plek waar ik woon is het Green Park Hotel, dat nu dient als uitvalsbasis voor elitetroepen van het leger. Ik heb vijf kinderen, het werd onhoudbaar om daar te blijven. Het schijnt dat mijn huis afgebrand is ondertussen, maar zeker is dat niet.’ Hoe het nu verder moet weet ze ook niet meteen. ‘De jongeren zullen zich niet overgeven. Ik verwachtte dat er moeilijke tijden zouden aanbreken, maar dat het zo erg zou zijn, nee, dat had niemand gedacht.’

© Toon Lambrechts

Om de hoek spelen een paar kinderen voor de deur van hun huis.

Om de hoek spelen een paar kinderen voor de deur van hun huis. Een ervan, Ramazan genaamd, heeft zijn arm in het verband. Zijn vader vertelt dat ze net van het ziekenhuis komen. Ramazan werd gewond toen een onontploft projectiel insloeg voor hun huis. Nu dreigt de jongen het gebruik van enkele vingers te verliezen. Terwijl we praten komen er drie oude vrouwen aangewaggeld. Een ervan wil ons iets kwijt.

‘Erdogan en Davutoğlu (eerste minister van Turkije) beweren moslims te zijn, maar ze verspillen de levens van anderen. Niemand verdient het om te sterven, onze jongeren niet, en de soldaten niet. Ik bid elke dag dat God hen straft voor wat ze hebben aangericht.’ Door haar tranen heen vertelt ze dat dit niet de eerste keer is dat ze dergelijke dingen meemaakt. Net als vele andere inwoners werd ze in de jaren negentig verjaagd toen het Turkse leger de dorpen op het Koerdische platteland wegveegde.

Iedere steeg in het doolhof Sur brengt nieuwe verhalen over geweld en vernieling. Een groep mensen staat bij een gebouw de schade op te nemen. Veel blijft er niet van over, de gevel is weggeveegd door een explosie, het betonnen skelet is geknakt. ‘We weten niet wie ons huis opgeblazen heeft’, vertelt de moeder van de familie Adebedli. ‘Er was hier een barricade opgeworpen, dus het kan iedereen geweest zijn.’ De vrouw vermoedt een complot, want ze had al eerder een aanbod gekregen om haar huis te verkopen. ‘Ze willen ons weg uit Sur,’ besluit ze.

Stedelijke oorlogszone

© Toon Lambrechts

Hoe dieper we Sur binnentrekken, hoe meer de stad aan een oorlogszone doet denken.

Hoe dieper we Sur binnentrekken, hoe meer de stad aan een oorlogszone doet denken. Sommige straten lijken zo uit Syrië weggeplukt. Bij een zwartgeblakerd winkel vertelt een man dat hij hier een winkel in plastic meubels had. Twee weken geleden werd zijn zaak in dit historisch pand in brand gestoken, volgens hem door de politie. ‘Toen ik terug kwam om te kijken wat er gebeurd was dreigden de soldaten me neer te schieten. Ik denk dat ze weten dat ik voor de BDP (pro-Koerdische partij) werk.’

Iets verderop zit een stokoude vrouw verslagen voor de deur. Ik probeer haar wat vragen te stellen, maar raak niet wijs uit haar verhaal. Alleen dat ook zij in de jaren negentig naar Sur gevlucht is wordt duidelijk. De politie heeft tijdens een operatie de deur van haar huis ingeslagen. Op de vraag of hier nog wel te leven valt met de dreiging van geweld antwoordt ze verslagen. ‘Ik ben al zo oud, het maakt niet uit wie me doodt.’

Laat er geen twijfel over bestaan, ondanks alle retoriek in de Turkse media, verlopen de operaties niet al te vlot.

Een groep gemeentewerkers is bezig een beschadigde waterpijp te herstellen. Een explosie heeft een krater geslagen en de pijp gebroken, meteen de reden waarom de buurt zonder water zit. Maar eens voorbij de werkmannen gaat het fout, goed fout. Een harde stem beveelt ons te stoppen. Twee mannen komen op ons af, in burgerkledij, maar met een kogelwerend vest met ‘polis’ erop en een machinegeweer in de hand. Het zijn twee leden van de gevreesde special police forces die aan de zijde van het leger meevechten in de Koerdische steden.

Zonder veel omhaal worden we gefouilleerd. De handen van de agent trillen als hij mijn paspoort in ontvangst neemt. Hij is duidelijk nerveus. Want laat er geen twijfel over bestaan, ondanks alle retoriek in de Turkse media, verlopen de operaties niet al te vlot. De twee agenten hebben ons op dit moment wel in hun macht, tegelijk zijn ze zelf een doelwit en kan het gevaar van alle kanten komen. Strijd voeren in een labyrint van smalle straatjes moet een bijzonder claustrofobische ervaring zijn voor wie niet gedekt wordt door kennis van het terrein.

Duistere herinneringen

De twee modderen ondertussen wat aan met onze paspoorten, niet goed wetend wat te doen met iemand die er niet mag zijn. Er wordt opnieuw heen-en-weer gebeld, maar uiteindelijk krijgen we onze documenten terug. Het is beter om ons geluk geen tweede keer op de proef te stellen, dus we keren terug naar de stadspoort. Onderweg vertaalt mijn gids enkele van de revolutionaire leuzen die overal te lezen zijn en vertelt over het Esedullah Team, de “Leeuwen van Allah”.

‘Europa hengelt wanhopig naar Turkse hulp om de instroom van vluchtelingen aan banden te leggen.’

Het zou gaan om een paramilitaire, radicaalislamitische groep gerekruteerd uit IS-sympathisanten die meevecht met het Turkse leger. Hun slogans doken op in de buurten waar de confrontaties het ergst waren. Het zijn slechts geruchten, maar ze doen wat ze moeten doen: angst aanjagen. Het brengt de herinnering boven aan de JITEM, een andere paramilitaire organisatie die in de jaren negentig verantwoordelijk was voor talloze mensenrechtenschendingen.

De houding van de internationale gemeenschap, en zeker van de EU, kan op weinig bijval rekenen. Europa wordt ervan beschuldigd een oogje dicht te knijpen over wat er hier gebeurt, omdat het wanhopig hengelt naar Turkse hulp om de instroom van vluchtelingen aan banden te leggen. ‘Dat Merkel een week voor de verkiezingen van november bij Erdogan op staatsbezoek kwam, was gewoon walgelijk’, besluit mijn gids.

De volgende ochtend nemen de gevechten in hevigheid toe. Om de vijf minuten klinken er zware explosies. Aan de bushalte kijkt een groep mannen naar de rookpluimen die opstijgen van achter de muren van Sur. Niemand spreekt, maar de ingehouden woede is haast tastbaar. De machteloosheid ook, want ieder protest in Diyarbakir tegen het geweld wordt onmiddellijk hardhandig neergeslagen.

Experiment in meervoudigheid

Een paar dagen later, meer dan 1000 km van Diyarbakir, in een koffiehuis te Sisli, een wijk van Istanboel. Abdullah Demirbas glimlacht minzaam als hij praat over zijn stad, maar de bezorgdheid klinkt door in zijn woorden. Tien jaar lang, van 2004 tot 2014 was hij de burgemeester van Sur. Tijdens zijn eerste ambtstermijn werd hij aan de kant geschoven door de Turkse overheid omdat hij het gewaagd had kinderboeken en toeristische brochures in het Koerdisch te laten drukken. Hij werd herverkozen, maar kreeg later twee jaar cel, onder andere voor ‘taalmisdrijven’.

‘Sur is mijn kind, en nu ligt het in mijn armen op sterven, zonder dat ik iets kan doen,’ verwoordt Demibas zijn bezorgdheid voor de stad die hem zo nauw aan het hart ligt.

‘Sur is mijn kind, en nu ligt het in mijn armen op sterven, zonder dat ik iets kan doen.’

‘Het is het hart van Diyarbakir, en dat hart wordt vandaag vernield. Sur omspant 7000 jaar geschiedenis, het is een stad van vele talen, religies, identiteiten en culturen. Net die diversiteit wil men uitwissen door de wortels van Sur en haar geschiedenis te verwoesten. Want net die veelheid aan identiteiten die Sur belichaamt tart de officiële ideologie van de Turkse republiek die één natie, één taal, één geloof en één vlag voorstaat.’

Onder het burgemeesterschap van Abdullah Demirbas begon Sur aan een boeiend experiment. Niet alleen het Koerdisch deed zijn intrede als bestuurstaal, ook het Aramees en het Armeens kregen hun plek. De heropening van de Armeense kerk Surp Giragos deed de minuscule Armeense gemeenschap van Sur herleven, honderd jaar na de genocide. Ook de heiligdommen van de Yezedi’s, Chaldeeërs en Alevieten werden gerestaureerd.

‘We wilden Sur herenigen met zijn eigen wortels en laten zien dat verschillende religies en identiteiten vreedzaam kunnen samenleven. Sur lag op sterven, maar we deden de stad herleven. Vandaag worden al onze inspanningen verwoest. Maar als het moet beginnen we morgen opnieuw.’

Het leek alsof beide partijen vrede wilden, maar zich tegelijkertijd op oorlog voorbereidden. Dat heeft geleid tot de bedroevende impasse van vandaag.’

Over hoe de situatie dermate kon escaleren, is Demirbas duidelijk. ‘Een gebrek aan transparantie en wederzijds wantrouwen. De onderhandeling tussen de Turkse staat en Ocalan gaven ons hoop. In maart leek het erop dat vrede dichterbij was dan ooit na de Dolmabahçe-verklaring (overeenkomst tussen de AKP en de HDP, later door Erdogan nietig verklaard). Maar omdat de voorafgaande onderhandelingen niet publiek gemaakt zijn, weten we niet waar het fout gelopen is. Beide partijen vertrouwden elkaar ook niet. Het leek alsof ze vrede wilden, maar zich tegelijkertijd op oorlog voorbereidden. Dat heeft geleid tot de bedroevende impasse van vandaag.’

Generatie van de laatste hoop

De hoop op een vreedzaam samenleven wil Demirbas niet laten varen, maar de tijd dringt. De radicalisering groeit door het aanhoudende geweld en het ontbreken van enig vooruitzicht op gelijkberechtiging. ‘In de jaren negentig heeft het leger de Koerdische dorpen ontruimd om de oorlog te winnen. Vandaag vechten ze tegen de kinderen van de mensen die ze toen verdreven hebben, jongeren die hun vaders, ooms en oudere broers hebben zien sterven of gevangen genomen worden. Iedere generatie stapelt meer woede en wraaklust op. Ik geloof in dialoog, en er is nog een kans op vrede. Maar mijn generatie is de laatste waarbinnen een oplossing mogelijk is. De kinderen die vandaag opgroeien gaan nog meer woede met zich mee dragen en zullen kiezen voor geweld.’

‘Mijn eigen zoon trok de bergen in toen hij zestien was om zich aan te sluiten bij de PKK. Hij zag hoe ik mijn democratisch recht om aan politiek te doen niet kon waarmaken en de gevangenis invloog. Hij zei me dat ik mijn tijd verdeed met dialoog. Ik ben er zeker van dat na de recente gebeurtenissen honderden, misschien wel duizenden jongeren dezelfde keuze zullen maken.’

© Toon Lambrechts

De plannen van de overheid dienen om een demografische verandering te realiseren en een meer volgzame bevolking te installeren in het hart van Koerdistan.

De ondertussen beruchte uitspraak van eerste minister Davutoğlu dat Turkije een rozentuin zal laten bloeien in Koerdistan maakt alleen een wrange lach los. ‘Wij waren bezig met een rozentuin in Sur, niet een met allemaal dezelfde bloemen, maar met vele verschillende kleuren. Al herbouw je Sur met goud en diamanten, het brengt de doden niet terug. De plannen van de overheid dienen om een demografische verandering te realiseren en een meer volgzame bevolking te installeren in het hart van Koerdistan. Dat zou een enorme tragedie zijn, zo leert de geschiedenis ons. Het hart Sur zal ophouden te kloppen, want de rijkdom van Sur zijn net de mensen die er wonen.’

‘De officiële ideologie van de Turkse staat zit vast in de obsessie dat alle Turken Turks spreken en soennitische moslims zijn.’

Abdullah Demirbas was een van de initiatiefnemers van de Raad van Veertig, een groep die interreligieuze dialoog tracht te bevorderen. Met de Raad probeert hij nu alle betrokken partijen tot kalmte aan te manen, voorlopig zonder succes. ‘We proberen te praten met de politieke verantwoordelijken om het geweld te beëindigen. Het uitgaansverbod moet worden opgeheven, de soldaten teruggetrokken en de barricades geslecht. Alleen zo kunnen beide kanten een eervolle stap terug zetten zonder gezichtsverlies en kan de dialoog hervatten.’

‘De officiële ideologie van de Turkse staat zit vast in de obsessie dat alle Turken Turks spreken en soennitische moslims zijn. Andere identiteiten hebben geen plek in die synthese tussen islam en nationalisme. De volkeren van Turkije hebben deze mentaliteit nooit geaccepteerd, de geschiedenis van de Turkse republiek is er een van opstand en repressie. Dat moet veranderen, wil dit land een toekomst hebben. Het aanvaarden van al die verschillende identiteiten zou Turkije rijker maken, een voorbeeld voor het Midden-Oosten. Nu glijdt het land af in een spiraal van geweld die ons elke dag meer beschadigt.’

X
F
E
E
D

B
A
C
K