Deze column verscheen op 10 februari 2016 op de website van De Volkskrant.

Bewoners van Cizre tussen het puin (foto EPA)

Bewoners van Cizre tussen het puin (foto EPA)

Dit is een mooie plek om mensen te kijken die uit alle hoeken van de stad naar binnen waaien.

De toeristen, de yuppen, de wandelaars komen hier. En soms mijn vrienden en ik. Zoals vroeger, toen we nog studeerden. Toen dacht ik dat ik nu al lang het penthouse aan de overkant zou kunnen kopen, om te zitten schrijven in de koepel aan het huis, en te kijken naar de mensen die dit café binnen waaien.

Inmiddels staat een van ons op het punt om te promoveren. Laten we hem Ibo noemen. De deuren staan al open bij de banken en consultancy, zegt hij. Dat hoop ik voor hem, misschien kan hij dat penthouse dan wel kopen. Ooit trok hij in zijn eentje naar Europa vanuit Turkije, waar hij weinig toekomst had. Althans, niet zo een als hier, niet zo mooi als nu. Zijn hele familie is uit Koerdisch gebied vertrokken. De assimilatie onder zijn bloedverwanten is geslaagd, ze stemmen zelfs AKP, de conservatieve partij van president Erdogan die opnieuw met de PKK in oorlog is.

Hij wil zijn moeder niet uitleggen dat Turkije een NAVO-land is, waar we miljarden naartoe schuiven, zolang ze maar de vluchtelingen uit Europa houden.

Of hij nog een biertje mag, vraagt Ibo aan het meisje achter de bar. Ons gesprek springt van de hak op de tak, zoals wel vaker in de kroeg. Maar we keren altijd terug naar Turkije, net als mijn gedachten de laatste tijd. Vanavond staan we met een been hier, en het andere in de straten van Cizre, een stad in puin. Waar soldaten bij elke stap die ze zetten de dromen verpulveren van een generatie die geloofde in vrede in Turkije. Ook ik heb erin geloofd.

Ibo’s moeder van 73 woont alleen in een flat aan de andere kant van de stad. Hij gaat zo vaak mogelijk bij haar langs, maar hij is gestopt haar te vertellen wat er in het thuisland speelt. Dat kan hij zelf nauwelijks bevatten. Hij wil haar niet uitleggen dat Turkije een NAVO-land is, waar we miljarden naartoe schuiven, zolang ze maar de vluchtelingen uit Europa houden.

In Cizre zitten 28 mensen in een kelder. Niemand mag er in of uit.

Wij kijken ernaar. Hoe IS er wordt gedoogd. Hoe de bommen vallen op de Koerden. Hoe de haat zich er verspreidt. Tienduizenden vluchtelingen rennen uit Aleppo, rammelen aan de poorten van onze bondgenoot, maar ze mogen niet naar binnen. Alsof het beesten zijn wordt noodhulp over het hek naar ze toe geworpen.

Of ik nog een wijntje mag. In het raam weerspiegelen de biermerken uit het café, alsof ze zomaar ergens boven de mensen hangen die voorbij fietsen, of zich haasten naar de tram. Het regent, het waait, het is seizoenloos Hollands weer, maar dat lijkt niemand te deren. Zo ziet vrijheid eruit. In Cizre zitten 28 mensen in een kelder. Niemand mag er in of uit. Zelfs de lijken niet tussen wie de anderen moeten slapen. Ik hoop dat Ibo’s moeder de televisie uit laat en dat hij haar vooral vertelt hoe goed zijn sollicitaties gaan.

X
F
E
E
D

B
A
C
K