Na een bezoek aan Noord-Koerdistan maakten de leden van de delegatie uit Aralar een balans op waarin ze de onderdrukking aanklagen tegen het Koerdische volk door een Turkse regering die in de laatste paar jaar net het omgekeerde beloofde en beweerde.
Ondanks het feit dat Turkije de schijn hoog houdt een rolmodel te zijn in het Midden-Oosten, beweert de delegatie dat de onderdrukking in dit land doet denken aan de harde negentiger jaren.
Uitgenodigd door de BDP en Abdullah Demirbas, de burgemeester van Zuid-Diyarbakir, bezochten we in het begin van december jongstleden Noord-Koerdistan.
Daar aangekomen assisteerden we als waarnemers een macrorechtszaak tegen 156 Koerdische  politieke vertegenwoordigers dat verder gezet werd op 6 december. We hielden ook een gespreksronde met verschillende Koerdische partijen en verenigingen.
De moeilijkheden die de internationale waarnemers ondervonden om deel te nemen aan het proces van het Tribunaal te Diyarbakir, de onmogelijkheid om zich uit te drukken in de eigen moedertaal, de vaagheid van de beschuldigingen, het feit dat verscheidene beschuldigden reeds berecht en veroordeeld werden voor dezelfde redenen, toonde de ernst van de situatie aan en het ontbreken van de democratische voorwaarden die men in Noord-koerdistan moet ondergaan.
In de vergaderingen met de leden van de BDP (partij voor de vrede en de democratie), de vereniging voor mensenrechten en de vereniging voor vermiste personen, werden de deelnemers geïnformeerd over de honderden aanhoudingen van vertegenwoordigers van verschillende instellingen; ongeveer 96 journalisten (dit is een wereldrecord dat zelfs China overstijgt) en arrestaties van honderden minderjarigen; onnoemelijke aangiften van folteringen; meer dan 250 “onverklaarbare” moorden op Koerdische burgers; en dit alles tijdens het bewind van de AKP. Men sprak ook over de reeds gevonden massagraven en de onmogelijkheid om deze lichamen op te graven; In deze massagraven vond men 17000 koerden die geëlimineerd werden door de staat, de meerderheid in de jaren ‘90. Dit is het schokkende panorama van de “Turkse Democratie” waarvan men tegenwoordig beweert dat het een ‘rolmodel’ voor het Midden-Oosten is.
In de laatste jaren had de AKP (partij van de gerechtigheid en de ontwikkeling), de regerende partij in Turkije, bepaalde gebaren en beloften gedaan die een verandering lieten raden bij de repressieve politiek die uitgevoerd werd door de opeenvolgende Turkse regeringen tegen het Koerdische volk nl. het schijnbaar gedeeltelijk erkennen van de Koerdische identiteit; het uitzenden van een Koerdische zender; de schijnbare tolerantie van de Koerdische electorale opties en een terugval van het aantal aanhoudingen en folteringen.
Aan deze fata morgana kwam snel een einde. Enkele analisten beschouwen dit als berekende gebaren om het hoofd te bieden aan de toetredingscriteria van de EU ( de zogenaamde criteria van Kopenhagen) of een louter electorale tactiek. De werkelijkheid is dat de Turkse overheid teruggekeerd is naar de slechtste toestand van de jaren ’90 inzake onderdrukking.
Hier moeten we het einde van de laatste wapenstilstand aan toevoegen, die unilateraal afgekondigd werd door de verzetsbeweging van de PKK (partij van de Koerdische arbeiders), waardoor we kunnen beweren dat het om een spiraal van geweld gaat van actie en reactie die ons doet vrezen voor het ergste en waardoor we ons in een situatie bevinden die onmiddellijke maatregelen vergt voor een oplossing voor dit langdurig conflict.”
Het voorbije jaar 2011 zal de geschiedenis ingaan als een jaar waarin verschillende maatschappijen in het Midden-Oosten opstand geboden hebben tegen autoritaire regimes die hun volkeren hebben onderworpen, bekend als de ‘Arabische lente’. Een jaar waarin de internationale gemeenschap verscheidene van deze staten veroordeeld heeft en zelfs maatregelen genomen heeft tegen bv. Sirië of Libië.
In deze context hebben verschillende staten en internationale organisaties het ‘Turkse model’ voorgesteld als het rolmodel voor deze maatschappijen. Steunend op de doctrine van het neo-otamanisme reisde de Turkse Eerste Minister Erdogan door Egypte en Tunesië. Hij noemt zichzelf de opperste verdediger van de Palestijnse zaak en de mensenrechten in Syrië en hij stelt zichzelf voor als absolute voortrekker van de rechten van de daklozen in de regio. Dit alles terwijl zijn gewapende krachten Koerdische mensen aanhouden, folteren en dorpen bombarderen zonder mededogen.
Een opmerkelijk feit is dat op 19 oktober laatstleden, de Turkse luchtmacht de Kazanvallei in het zuidoosten heeft gebombardeerd in een operatie tegen zogezegde PKK militanten waarbij 37 mensen sneuvelden. Alles wijst erop dat men chemische wapens gebruikte. Dit feit wordt onderzocht door Europese en Duitse parlementsafgevaardigden en wordt begeleid door Feleknas Uca, lid van ‘Die Linke’. In geval van bevestiging, zouden deze feiten een zware inbreuk vormen op de internationale wetten die onmiddellijke maatregelen vereist.

De VN en de EU moeten zich sterk opstellen tegenover Turkije. Een staat die een referentie was in de 20e eeuw op verschillende politieke vlakken zoals opvoeding, secularisme, feminisme, gelijkheid; waar het kemalisme grote successen boekte op sociaal-politiek vlak, gelijke rechten maar ook verschrikkelijke fouten maakte en minderheden afslachtte.

Momenteel kiest de regering van Erdogan ervoor om het ergste van het Turkse nationalisme te bevorderen met en ‘light’islamisme dat ontoombaar is en stilaan proberen ze de “kemalistische successen” uit de maatschappij te bannen. Alles draait om strategie, volgens verschillende experts. Niets wordt aan het toeval overgelaten, maar duidelijk ontworpen en de leiders hiervan blijken niemand minder te zijn dan de islamitische en sinistere “Gülen broederschap” en zijn leider: Fetula Gülen, de mentor van de heren Gül en Erdogan.

 We beëindigen onze reis in de Turkse Nationale Vergadering van Ankara met de BDP afgevaardigden, een vereniging van 36 afgevaardigden. Hun woordvoerder, Hasip Kaplan, benadrukte de huidige repressieve situatie en bracht zijn bezorgdheid uit over de minieme weerklank die de Koerdische zaak heeft in internationale media en andere instellingen en in de organisaties die instaan voor solidariteit tussen volkeren. Ook toonde hij interesse in het vredesproces en normalisatieproces van de Basken. Hij maakte ook aantekeningen over het werk van de internationale waarnemers en de Aieteconferentie en haar leden.
We namen afscheid en toostten met water, aangezien de islamitische regering het drinken van alcohol heeft afgeschaft, ook in het restaurant van het parlement. We toostten met een fluisterende ‘nos’ (santé in het Koerdisch); voor de vrede, de vrijheid en alle rechten van volkeren in het Midden-Oosten en de wereld. Topa! Nos! Ook vanuit Euskal Herria voor een toekomst die beide volkeren delen, voor de verdediging van onze nationale identiteit en sociale gerechtigheid.
Voetnoot: Naar het einde van dit artikel, werd het nieuws bekend dat 40 koerdische burgers omkwamen bij een bombardement door een zogezegde fout van de turkse luchtmacht.

 

 

X
F
E
E
D

B
A
C
K