De werking van het Koerdisch Instituut bevindt zich op het kruispunt van binnenlandse integratiepolitiek en buitenlandse geopolitiek. De Koerdische gemeenschap is bij uitstek een transnationale gemeenschap. Onderstaande beleidsaanbevelingen voor de komende regeerperiode beslaan dan ook verschillende beleidsdomeinen. Het lot en welzijn van de Koerdische gemeenschap in België is immers nauw verbonden met internationale politieke ontwikkelingen.

De burgeroorlog in Syrië:

a. Diplomatieke erkenning van het Koerdische Hoogste Comité (Kurdish Supreme Committee) als vertegenwoordigers van de Koerdische regio’s in Syrië.
b. Een effectieve en integrale aanpak van Belgische Syriëstrijders, gericht op zowel het netwerk van ronselaars in België als het aanpakken van de structurele oorzaken voor de beslissing om naar Syrië te trekken. Een groot deel van de West-Europese Syriëstrijders is afkomstig uit België en is gestationeerd in ISIS (Islamic State of Iraq and Al-Sham)-bataljons in het noorden van Syrië. De lokale Koerdische bevolking vecht er voor de erkenning van haar basisrechten en wordt bijna dagelijks geconfronteerd met de brutaliteit, terreur en het radicalisme van groepen als ISIS.
c. Het op de Vlaamse ‘on-hold-lijst’ zetten van Saoedi-Arabië voor wapenleveringen. Saoedi-Arabië is één van de voornaamste mecenassen van het Islamitische Front, een coalitie van gewapende islamitische groeperingen in Syrië.
d. Het Syrië-beleid van Turkije, waarbij jihadistische milities zoals het Al-Nusra Front en ISIS gesteund worden, verdient minimaal een kritische houding van de Belgische politici.
e. We vragen de Belgische politici en regeringsleden er verder bij Turkije op aan te dringen haar grenzen niet langer te sluiten voor humanitaire noodhulp aan de Koerdische regio’s in het noorden van Syrië.
f. Ook de Koerdische Regionale Regering in Noord-Irak dient erop attent gemaakt te worden dat het afsluiten van haar grenzen voor humanitaire hulp voor de noodlijdende bevolking in Syrië mensonwaardig is.

 

De bilaterale relaties tussen België en Turkije:

 

a. Gezien het toenemende autoritaire karakter van het beleid van de AKP-regering van premier Recep Tayyip Erdoğan is de Turkse staat geen valabele en betrouwbare partner meer voor de Belgische staat. De samenwerkingsverbanden dienen dan ook opnieuw geëvalueerd te worden. Specifiek dringen we erop aan dat de minister van Binnenlandse Zaken het ‘Memorandum of Understanding’ inzake politionele samenwerking verwerpt.
b. Stop aan de inmenging van de Turkse staat in de Belgische politiek. De afgelopen beleidsperiode is meer dan eens gebleken dat de Turkse staat druk zet op de Belgische overheid om op te treden tegen Koerdische activisten in België. We vragen dat de Belgische staat zich expliciet verzet tegen deze praktijk en haar soevereiniteit bewaart. De Belgische staat moet kunnen waarborgen dat Koerdische diplomaten en organisaties hun werk in Brussel binnen de grenzen van de rechtsstaat kunnen uitvoeren.
c. We eisen een grondig en vrij onderzoek in de zaak van de moord op drie Koerdische activisten in Parijs in januari 2013. Er zijn immers aanwijzingen dat de vermoedelijke moordenaar misschien van plan was om zijn wapen in Brussel te kopen, met hulp vanuit de Turkse inlichtingendiensten.
d. We vragen de Belgische politici en regeringsleden ook in de komende regeerperiode blijvende diplomatieke druk te zetten op de Turkse staat ¬– via de ambassade of de EU-vertegenwoordiging – inzake de vredesonderhandelingen met de Koerdische beweging en het monddood maken van de civiele samenleving in Turkije.

 

De Koerdische gemeenschap in België:

 

a. We dringen erop aan dat de integratie- en inburgeringssector afstapt van de natiestaatlogica en vertrekt vanuit de context van superdiversiteit. Dit houdt een paradigmashift in die meer gedetailleerd wordt beschreven door organisaties als Kif Kif. Wij willen hier benadrukken dat het overheidsdiscours moet afstappen van het identificeren van allochtonen volgens een Islamitische en nationale (Turkse, Marrokaanse, …) norm.
b. Superdiveristeit betekent een beleid dat vertrekt vanuit een aanvaarding van de diversiteit en de diversiteit binnen de diversiteit. De Koerdische gemeenschap in België is een realiteit en geen probleem dat dient opgelost te worden. Problemen binnen of met de Koerdische gemeenschap zijn problemen van de Belgische samenleving en kunnen niet worden weggeculturaliseerd.
Concreet wijzen we op de rellen in 2011 in Antwerpen en in 2013 in Genk tussen groepen uit de Koerdische en Turkse gemeenschap. Dit waren geen “geïmporteerde conflicten” maar conflicten eigen aan een superdiverse samenleving waar diezelfde samenleving antwoorden op moet formuleren.
c. We stellen een niet aflatende criminalisering vast van de Koerdisch identiteit. We eisen dat overheidsinstanties zich distantiëren van het ‘etnic profiling’ van Koerden (d.w.z. iemand bepaalde karakteristieken toeschrijven op basis van zijn of haar etniciteit), specifiek in verband met terrorismezaken. We pleiten voor een gedegen en objectieve vorming van lokale besturen en politiediensten in gemeentes met een aanzienlijke Koerdische gemeenschap.
d. Een eerste concrete stap in het vormgeven van een nieuwe, en noodzakelijke, relatie tussen overheidsdiensten en de vertegenwoordigers van verschillende culturele, sociale en religieuze groepen is overleg. Het Koerdisch Instituut beschikt in de vorm van de Interparlementaire Werkgroep De Koerden alvast over een uitstekend instrument om de Koerdische gemeenschap en Belgische politiek samen rond te tafel te brengen. We roepen alle politieke vertegenwoordigers op deze kans te grijpen.
e. We merken een zeer sterke nadruk op kennis van het Nederlands in het inburgeringsbeleid, zelfs als voorwaarde voor bepaalde rechten. We pleiten voor een realistische, empirische en praktische benadering van de kennis van het Nederlands. We dienen de positie van het Nederlands in het inburgings-en integratiedebat te herformuleren opdat het een instrument wordt van insluiting en niet van uitsluiting.

 

Extra noot betreffende de herdenking van de genocide op Armeense, Assyrische en andere minderheden in Turkije in 1915

In 2015 zal het 100 jaar geleden zijn dat het Ottomaanse Rijk de eerste moderne genocide pleegde. Hierbij verloren twee miljoen Armeniërs, Assyriërs en mensen uit andere bevolkingsgroepen het leven. Tot vandaag weigert de Turkse overheid en een groot deel van de Turkse publieke opinie de feiten als genocide te omschrijven of minimaliseert ze de aantallen en bagatelliseert ze de feiten.
2015 moet een waardig herdenkingsjaar worden. Niet enkel voor de Armeense en Assyrische gemeenschap in België. De gebeurtenissen zijn immers van dien aard dat ze de gehele mensheid aanbelangen. Het valt echter te verwachten dat de Turkse overheidslobby, alsook Turks-nationalistische netwerken in België, van dit herdenkingsmoment misbruik zullen maken om deze genocide te minimaliseren.
We betreuren ten stelligste dat de federale overheid Turkije als gastland voor Europalia 2015 heeft aangeduid. We dringen er echter op aan dat de overheid zal toezien op eventuele pogingen om de genocide te ontkennen, zeker op een deels met publieke fondsen gesteund event als Europalia. Daarnaast vragen we aan de federale en regionale regeringen om tijdens dit herdenkingsjaar hun medeleven te uiten met de getroffen gemeenschappen.

 

X
F
E
E
D

B
A
C
K