De regering Bush legde bij het begin van de 21ste eeuw de strategische prioriteiten voor de Amerikaanse diplomatie vast. Eerste prioriteit: de bedreiging van China voor de Amerikaanse posities in Azië en op langere termijn op wereldvlak; vandaar de politiek van “containment” (indijking) van China. Tweede prioriteit: Zuidwest-Azië.
Zuidwest-Azië is de regio van het Midden Oosten en het gebied rond de Kaspische Zee met al zijn energierijkdommen. Iran neemt in die regio een bijzonder belangrijke plaats in, zowel door zijn olie- en aardgasvelden als door zijn ligging: de kortste weg tussen de energiebronnen van Centraal-Azië en de ‘wereldmarkten’ loopt door Iran.
Bovendien ligt Iran tussen twee landen waar de Amerikanen militair zwaar betrokken zijn, Irak en Afghanistan. Iran heeft veel invloed onder de Iraakse sjiieten en heeft in Afghanistan goede banden met de sjiïtische Hazara’s en de etnisch verwante Tadzjieken.
Zijdelings is Iran ook belangrijk in de indijkingspolitiek tegenover China, want het heeft nauwe relaties met China en het speelt een relatief grote rol in Afghanistan, pion van die indijkingspolitiek. Dus staat Iran hoog op de lijst.
Oliediplomatie
Energie speelt alleszins een hoofdrol in de houding van Washington. In de toenemende concurrentie om olie (en aardgas) krijgen de VS steeds meer te maken met de zogenaamde energiehonger van onder meer India en vooral China dat in deze regio bijzonder actief is. De Amerikaanse oliemaatschappijen zouden wat graag weer voet aan de grond krijgen in Iran zelf, maar hopen vooral dat ze olie vanuit Centraal-Azië via Iran kunnen transporteren. Al tien jaar geleden voerden vertegenwoordigers van Amerikaanse oliemaat-schappijen gesprekken met Teheran over dergelijke transporten.
Maar om dat te bereiken, is er in Teheran een bevriender regime nodig. Washington en de oliemaatschappijen hadden erop gerekend dat Akbar Hashemi Rafsanjani vorig jaar de Iraanse presidentsverkiezingen met gemak zou winnen, waarna er met deze rijke zakenman zaken konden worden gedaan. Het draaide anders uit. En al kunnen Iraanse verkiezingen niet echt democratisch worden genoemd – onder meer door de selectie die de religieuze leiding vooraf maakt – toch was het duidelijk dat de Iraanse kiezers Rafsanjani, een van de rijkste mannen van het land, zeker niet wilden. Met Mahmoud Ahmadinejad ligt dat nu moeilijker.
Washington kan kiezen tussen twee mogelijkheden: de Iraanse regering omverwerpen, of er toch mee praten. Binnen Bush’ Republikeinse partij gaan merkwaardig veel gezaghebbende stemmen op om te praten in plaats van met wapengeweld te dreigen. Velen zijn van de ervaringen in Irak toch iets wijzer geworden. Bovendien zijn er de voorbije jaren al verscheidene gesprekken gevoerd. In november vorig jaar zei de Amerikaanse ambassadeur in Bagdad, de zeer invloedrijke Zalmay Khalilzad, van Afghaanse afkomst, dat hij van Bush met Teheran mocht praten, vooral dan over de situatie in Irak.
Washington kan er nu eenmaal niet naast kijken dat Iran zeer veel invloed heeft in Irak, dat Irangezinde politici daar een groot deel van de macht hebben en dat allemaal volgens de door Washington gepredikte democratische regels.
Democratische processen kunnen wel vervelend zijn, ondervindt Washington. Ahmadinejad is redelijk democratisch verkozen en het westen beseft maar al te goed dat hij met zijn forse nucleaire uitspraken de grote meerderheid van de bevolking achter zich heeft – al is niet hij maar ayatollah Khamenei en de chef van de nationale veiligheidsraad Ali Larijani verantwoordelijk voor de nucleaire politiek.
Het Iraakse parlement heeft een flink pak Irangezinde leden, bij de Palestijnen won Hamas, in Egypte zou de Moslim Broederschap vrije verkiezingen winnen… Washington gaat twijfelen aan zijn “groot project voor een democratisch Midden Oosten”.
Nucleaire hypocrisie
Voorlopig hebben de ‘haviken’ het in Washington voor het zeggen. Zij fabriceerden het nucleair gevaar en blazen het op. Het Iraans nucleair programma startte in 1974 en bevatte toen een militaire dimensie. Maar toen was het Iran van de sjah een “westerse pijler” in het Midden Oosten, een bondgenoot van de VS en van Israël. Bovendien, is dat “gevaar” zo ernstig? Amerikaanse inlichtingendiensten schatten zelf dat het in het “slechtste geval” nog vijf tot tien jaar duurt eer Iran in staat zou zijn een kernwapen te fabriceren.
Vanwaar trouwens die – al dan niet fictieve – vrees voor een mogelijk Iraans kernwapen? Is het Iraans bewind terroristisch of expansionistisch? De enige grote oorlog waarin het was betrokken, was die van 1981 tot 1988 met Irak, een oorlog die Saddam Hoessein had ontketend met steun (politiek en met wapens) van onder meer Washington en Parijs die maar al te graag het Iraans bewind zagen sneuvelen. Voor Teheran telt in de buitenlandse betrekkingen alleen het eigenbelang, en dat bestaat onder meer uit streven naar veiligheid, naar bescherming tegen mogelijke aanvallers. Wie dreigt er met tactische kernwapens in de regio? De VS. Wie heeft verarmd uranium gebruikt in Irak? De VS.
Waarom is Washington niet bekommerd om het feit dat India en Pakistan kernwapenmogendheden zijn die bovendien onderling al drie oorlogen uitvochten? Integendeel, de VS en andere westerse landen steken die landen graag een nucleair handje toe. Bush beloofde India tijdens zijn recent bezoek nucleaire technologie die ook voor militaire doeleinden kan worden gebruikt. In die gevallen zijn de westerse landen de eerste om het verdrag tegen de spreiding van kernwapens met de voeten te treden. Het feit dat Iran dat wel ondertekende en India en Pakistan niet, is natuurlijk louter formeel.
Bondgenoten
Zal Washington toch zijn militaire dreigementen uitvoeren? Niemand kan dat met zekerheid uitsluiten. Maar de toenemende roep om dialoog met Teheran binnen de Republikeinse partij zelf weerspiegelt grote twijfel. In de eerste plaats door de slechte ervaring in Irak, in de tweede door het besef dat een beperkte aanval op Iran het Iraans regime zal versterken en dat een globale aanval nog veel zwaardere gevolgen zal hebben dan in Irak.
En met welke bondgenoten? Bij de Europese en Aziatische bondgenoten vangen de Amerikaanse leiders bot, degenen die deelnamen aan de invasie in Irak hebben er genoeg spijt van. Washington gaat dan maar aankloppen bij de vijanden van gisteren. Zoals de ‘Modjaheddin Khalq’, een beweging die deelnam aan de opstand van 1978-’79 tegen de sjah en toen werd bestempelde als links-islamitisch. Deze Modjaheddin mochten van Saddam basissen oprichten in Irak; mede daarom belanden ze op de westerse lijsten van terroristische bewegingen. Na de val van Saddam gingen ze zoete broodjes bakken met de Amerikanen die in hen bondgenoten zien tegen Teheran. De Amerikanen maken ook andere oppositiegroepen, zoals natuurlijk de monarchisten maar ook Koerdische, het hof.
http://www.sap-pos.org/txt-nl/2006/juni/FreddyDePauw.htm

F
E
E
D

B
A
C
K